Wetboek-online maakt gebruik van cookies. sluiten
bladeren
zoeken

Jurisprudentie

BC0223

Datum uitspraak2007-11-01
Datum gepubliceerd2007-12-14
RechtsgebiedBestuursrecht overig
Soort ProcedureEerste aanleg - meervoudig
Instantie naamRechtbank Amsterdam
ZaaknummersAWB 05-3577 WOB
Statusgepubliceerd


Indicatie

Verzoek om openbaarmaking fiscale afspraken Eiser heeft op grond van de Wet Openbaarheid van Bestuur verzocht om openbaarmaking van schriftelijk vastgelegde fiscale afspraken van een onderneming met de Belastingdienst. Verweerder heeft dit verzoek afgewezen onder verwijzing naar artikel 67 van de Algemene wet inzake rijksbelastingen (Awr). De rechtbank is van oordeel dat verweerder in redelijkheid heeft kunnen beslissen om ten aanzien van de gevraagde stukken het economische belang van de Staat, gelegen in het kunnen bieden van een goed vestigingsklimaat aan grote internationale ondernemingen, te laten prevaleren, en zodoende in redelijkheid heeft kunnen beslissen om geen gebruik te maken van zijn bevoegdheid ex artikel 67, tweede lid van de Awr, om ontheffing te verlenen van de geheimhoudingsplicht.


Uitspraak

Rechtbank Amsterdam Sector Bestuursrecht Algemeen meervoudige kamer UITSPRAAK in het geding met reg.nr. AWB 05/3577 WOB tussen: [eiser], domicilie kiezende te [woonplaats], eiser, en: de Staatssecretaris van Financiën, verweerder, vertegenwoordigd door mr. E.J. Daalder. 1. PROCESVERLOOP 1. Verweerder heeft een bezwaarschrift van eiser ontvangen, gericht tegen het besluit van verweerder van 14 december 2004 (hierna: het bestreden besluit). Verweerder heeft het bezwaarschrift met toepassing van artikel 7:1a van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) doorgezonden aan de rechtbank, alwaar dit als beroepschrift in behandeling is genomen. 2. Het onderzoek is gesloten ter zitting van 4 oktober 2007. 2. OVERWEGINGEN 3. Eiser heeft verweerder op 29 oktober 2004, met een beroep op de Wet Openbaarheid van Bestuur (hierna: WOB), verzocht om inzage in alle informatie over afspraken, gemaakt in 2004, tussen de Belastingdienst Grote Ondernemingen en/of het ministerie van Financiën en de moedermaatschappijen van de Shell-Groep, NV Koninklijke Nederlandsche Petroleum Maatschappij en Shell Transport and Trading Company, Plc. (hierna gezamenlijk: Shell), over de fiscale behandeling van de moedermaatschappijen en de verschillende categorieën van aandeelhouders van genoemde moedermaatschappijen. 4. Bij het bestreden besluit heeft verweerder dit verzoek afgewezen met een beroep op de geheimhoudingsplicht van artikel 67, eerste lid, van de Algemene wet inzake rijksbelastingen (hierna: Awr). Verweerder heeft van die geheimhoudingsplicht geen ontheffing verleend, gelet op de uitzonderingsgronden, als neergelegd in artikel 10, eerste lid, aanhef en onder c, en tweede lid, aanhef en onder b en g, van de WOB. 5. Eiser heeft daartegen, kort zakelijk weergegeven, de volgende gronden aangevoerd: - artikel 67, eerste lid, van de Awr ziet op de uitvoering van de belastingwetgeving en dus niet op de afspraken die de Belastingdienst maakt met belastingplichtigen; - dat de afspraken niet te anonimiseren zijn, is niet relevant, gelet op de jurisprudentie inzake technolease. Om die reden is het beroep op artikel 10, eerste lid, aanhef en onderdelen c en g, van de WOB niet gerechtvaardigd; - het verzoek ziet niet op informatie over bedrijfsgegevens maar op de afspraken tussen Shell en de Belastingdienst en/of het Ministerie van Financiën. Indien in de stukken met afspraken vertrouwelijke bedrijfsgegevens staan, moeten de afspraken zonder deze bedrijfsgegevens openbaar gemaakt worden. Andere ondernemingen moeten in staat zijn om na te gaan of zij aanspraak kunnen maken op dezelfde fiscale behandeling; - er dient er een belangenafweging te worden gemaakt tussen het belang van openbaarmaking en de schade die dat bij het bedrijf zou veroorzaken. Daarvan is in het bestreden besluit geen sprake. De besluitvorming is hierdoor onvoldoende inzichtelijk; - in het bestreden besluit ontbreekt tevens een concrete afweging van het belang van Shell bij geheimhouding en het publieke belang bij openbaarheid; - Het beroep van verweerder op artikel 10, tweede lid, aanhef en onder b, van de WOB faalt. De Belastingdienst heeft voldoende wettelijke middelen om te waarborgen dat belastingplichtige ondernemingen alle informatie verstrekken die nodig is voor de heffing en invordering van belastingen. Openbaarmaking kan dus niet de financiële belangen van de staat schaden; - Voor de weigering op grond van artikel 10, eerste lid, aanhef en onder g, van de WOB, voert verweerder aan dat openbaarmaking Shell onevenredig is haar belangen zou (kunnen) treffen. Een duidelijke motivering hiervoor ontbreekt, waardoor er de indruk wordt gewekt dat er van een daadwerkelijk inhoudelijke beoordeling van eventueel openbaar te maken gegevens en de beoordeling of dit onevenredige nadelen tot gevolg zou hebben, geen sprake is geweest. De rechtbank overweegt het volgende. 6.1 Ingevolge artikel 67, eerste lid, van de Awr is het een ieder verboden hetgeen hem in enige werkzaamheid bij de uitvoering van de belastingwet, of in verband daarmede, nopens de persoon of de zaken van een ander blijkt of medegedeeld wordt, verder bekend te maken dan nodig is voor de uitvoering van de belastingwet of voor de heffing of de invordering van enige rijksbelasting. Ingevolge het tweede lid kan Onze Minister ontheffing verlenen van het in het eerste lid vervatte verbod. 6.2 Ingevolge artikel 10, eerste lid, aanhef en onder c, van de WOB, blijft het verstrekken van informatie ingevolge deze wet achterwege voor zover dit bedrijfs- en fabricagegegevens betreft, die door natuurlijke personen of rechtspersonen vertrouwelijk aan de overheid zijn meegedeeld. 6.3 Ingevolge artikel 10, tweede lid, van de WOB, - voor zover hier van belang - blijft het verstrekken van informatie ingevolge deze wet eveneens achterwege voor zover het belang daarvan niet opweegt tegen de volgende belangen: [...] b. de economische of financiële belangen van de Staat, de andere publiekrechtelijke lichamen of de in artikel 1a, onder c en d, bedoelde bestuursorganen; [...] g. het voorkomen van onevenredige bevoordeling of benadeling van bij de aangelegenheid betrokken natuurlijke personen of rechtspersonen dan wel van derden. 7. Verweerder heeft op 13 februari 2007 de documenten waarvan openbaarmaking is geweigerd aan de rechtbank verzonden en, met een beroep op artikel 8:29, eerste lid, van de Awb, medegedeeld dat de kennisneming daarvan tot de rechtbank beperkt dient te blijven. Eiser heeft de rechtbank bij brief van 2 mei 2007 toestemming verleend ex artikel 8:29, vijfde lid, van de Awb, om mede op grondslag van die documenten uitspraak te doen. 8. De rechtbank merkt eerst het volgende op. Eiser heeft ter zitting aangegeven dat hij tevens informatie wenst over het ambtelijk voortraject, leidend tot de tussen Shell en verweerder gemaakte afspraken. Verweerder heeft zich tegen een uitbreiding van het geschil uitdrukkelijk verzet. De rechtbank stelt vast dat eisers verzoek om informatie uit 2004 uitsluitend ziet op de schriftelijk vastgelegde afspraken. Van een meeromvattend verzoek blijkt niet. Eiser heeft evenmin in zijn als beroepschrift aangemerkt bezwaar een beroepsgrond gericht tegen een te beperkte interpretatie van zijn verzoek. Gelet op het vorenstaande is de rechtbank van oordeel dat eisers eerst ter zitting naar voren gebrachte betoog in strijd is met de goede procesorde, zodat daaraan voorbij wordt gegaan. 9.1 Eiser heeft betwist dat artikel 67 van de Awr op de onderhavige documenten van toepassing is, nu deze documenten zien op vrijwillige afspraken tussen Shell en verweerder. Beoordeling van de openbaarmaking zou uitsluitend op grond van de WOB dienen plaats te vinden. 9.2 De rechtbank volgt eiser daarin niet. Anders dan eiser betoogt, ziet de rechtbank in de bewoordingen van voornoemd artikel geen aanknopingspunten voor de restrictieve uitleg zoals eiser die voorstaat. Naar het oordeel van de rechtbank strekt de reikwijdte van de geheimhoudingsplicht zich tevens uit over een door verweerder gegeven nadere uitleg van de wettelijke bepalingen in samenhang met specifieke afspraken over het gebruik van daarin vervatte bevoegdheden in een nader geduide concrete zaak. Gelet hierop is de in artikel 67, eerste lid, van de Awr, neergelegde geheimhoudingsplicht van toepassing op de betreffende documenten. 10. Ter toetsing ligt derhalve voor of verweerder in redelijkheid heeft kunnen afzien van het verlenen van ontheffing ex artikel 67, tweede lid, van de Awr. Bij zijn afweging heeft verweerder terecht aansluiting gezocht bij de uitzonderingsgronden van de WOB (zie onder meer de uitspraak van de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State (hierna: AbRS) van 22 augustus 2007, LJN: BB 2163, te raadplegen via www.rechtspraak.nl). 11. De rechtbank stelt vast dat de in het primaire besluit gehanteerde uitzonderingsgronden van de WOB zodanig zijn verwoord, dat is beoogd om deze zelfstandig naast elkaar en ieder voor zich ten aanzien van alle niet-openbaar gemaakte documenten aan de weigering ten grondslag te leggen. Dit leidt ertoe dat indien wordt geoordeeld dat een van de gehanteerde uitzonderingsgronden in redelijkheid aan de weigering om ontheffing te verlenen ten grondslag is gelegd, de overige uitzonderingsgronden verder onbesproken kunnen blijven. 12.1 De rechtbank ziet aanleiding eerst te beoordelen of verweerder zich in redelijkheid heeft kunnen beroepen op artikel 10, tweede lid, aanhef en onder b, van de WOB: de economische of financiële belangen van de Staat. 12.2 Verweerder heeft voornoemd belang van de Staat in zijn verweerschrift en ter zitting als volgt nader toegelicht. Nederland hecht er groot belang aan om een goed vestigingsklimaat te bieden aan grote internationale ondernemingen. Daar zijn omvangrijke financiële belangen mee gemoeid. Nederland concurreert in internationaal verband met diverse andere landen. 12.3 Voor dergelijke ondernemingen is het van essentieel belang om voorafgaand aan een definitieve beslissing over de vestigingslocatie inzicht te verkrijgen in - onder meer - de fiscale consequenties. Overleg in dat verband vindt plaats op basis van vrijwilligheid. De wettelijke waarborgen om informatie van belastingplichtigen te verkrijgen, bieden daarbij geen soelaas. Het is voor deze ondernemingen van zeer groot belang dat de gegevens die zij verschaffen in het kader van dergelijk overleg niet openbaar worden gemaakt. Indien deze informatie openbaar wordt, zal dat zonder meer leiden tot een veel terughoudender opstelling van die ondernemingen tegenover de Nederlandse Staat, waar dat het verschaffen van financiële (bedrijfs)gegevens betreft. Het zou er zelfs toe kunnen leiden dat Nederland internationaal als een minder gunstig vestigingsalternatief kan gaan gelden. Eiser heeft deze door verweerder geschetste belangen van de Staat in het geheel niet betwist. 12.4 De rechtbank is, na kennisneming van de niet-openbaar gemaakte documenten, van oordeel dat verweerder in redelijkheid heeft kunnen beslissen om ten aanzien van deze stukken het economische belang van de Staat te laten prevaleren, en zodoende in redelijkheid heeft kunnen beslissen om geen gebruik te maken van zijn bevoegdheid ontheffing te verlenen van de geheimhoudingsplicht ex artikel 67 van de Awr. 13. Nu de weigering ontheffing te verlenen reeds vanwege het bepaalde in artikel 10, tweede lid, aanhef en onder b, van de WOB, stand kan houden, zal de rechtbank de beroepsgronden, gericht tegen de andere gehanteerde uitzonderingsgronden onbesproken laten. 14. Voor zover eiser nog heeft betoogd dat de betreffende stukken in een nader gemaskeerde vorm openbaar gemaakt hadden kunnen worden, overweegt de rechtbank dat dit, gelet op de inhoud daarvan, geen reëel alternatief biedt. Eisers stelling dat in andere vergelijkbare gevallen wel tot openbaarmaking is overgegaan, onder verwijzing naar de Techno-Lease jurisprudentie, leidt niet tot een ander oordeel. Voor zover eiser verwijst naar de uitspraak van de arrondissementsrechtbank te Den Bosch van 7 februari 1997 merkt de rechtbank op dat deze uitspraak in hoger beroep door de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 12 januari 1999 (zaaknummer H01.97.0389/Q01) is vernietigd. 15. Gelet op het hiervoor overwogene kan het bestreden besluit in rechte stand houden, zodat het beroep ongegrond zal worden verklaard. 16. De rechtbank ziet geen aanleiding voor een vergoeding van het griffierecht of een veroordeling van verweerder in de proceskosten. Beslist wordt als volgt. 3. BESLISSING De rechtbank: - verklaart het beroep ongegrond. Deze uitspraak is gedaan op 1 november 2007 door mr. P.H.A. Knol, voorzitter, en mrs. Y.A.A.G. de Vries en M.L. van Emmerik, rechters, in tegenwoordigheid van mr. A.E. Dutrieux, griffier, en bekendgemaakt door verzending aan partijen op de hieronder vermelde datum. de griffier, de voorzitter, Tegen deze uitspraak kunnen een belanghebbende en het bestuursorgaan gedurende zes weken na toezending van deze uitspraak hoger beroep instellen bij de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State te ’s-Gravenhage. Afschrift verzonden op: DOC: B